|
NBD|Biblion recensie
De schrijfster (1918) is op zoek naar haar verleden. Niet alleen naar haar ouders en grootouders, maar ook naar hun leefwerelden,
hun drijfveren, hun geheimen. Die zoektocht voert haar naar Duitsland, naar het vroegere Nederlands-Indië en ook naar Australië,
waar haar enige broer woont. Daar gaat haar verhaal een tijdlang over in fictie, wanneer zij een zwerftocht van een jonge Australiër
beschrijft, ook op zoek naar zichzelf. Tenslotte komt zij al schrijvend in Amsterdam, waar zij lang heeft gewoond, en dan realiseert
zij zich hoe sterk ze zich verbonden weet met hen die haar zeer na staan en die daar ook geleefd hebben of nog leven. Naarmate
haar verhaal vordert beseft de schrijfster dat in haar leven werkelijkheid en fictie moeilijk te scheiden zijn. Fictie die verbonden is
met zwanen die zij steeds weer tegen komt. Dat prikkelt haar: zij wil verder komen dan de werkelijkheid. Hella Haasse heeft zo in
een mengeling van autobiografisch, verhalend en essayistisch proza een tot nadenken stemmend, levensecht boek geschreven.
|